Zie je ik hou van je,ik vin je zoo lief en zoo licht —je oogen zijn zoo vol licht,ik hou van je, ik hou van je.En je neus en je mond en je haaren je oogen en je hals waarje kraagje zit en je oormet je haar er voor.Zie je ik wou graag zijnjou, maar het kan niet zijn,het licht is om je, je bentnu toch wat je eenmaal bent.O ja, ik hou van je,ik hou zoo vrees'lijk van je,ik wou het heelemaal zeggen —Maar ik kan het toch niet zeggen.
Echte mensentaal, vrij te gebruiken.
Gedichten van Gezelle, Boutens, Gorter en De Génestet voor kaarten, toespraken en afscheid. Allemaal geschreven lang voor AI, en klaar om te plakken.
De bibliotheek
Alle 86 teksten
De teksten staan in hun oorspronkelijke spelling (zoo, mensch, heemlen). Gezelle schreef in een Vlaams gekleurd Nederlands.
Een heilig einde, een goed begin,dat geve u God, jaar uit jaar in,'k wil zeggen, — in een woord gezeid, —zoo nu zoo altijd: Zaligheid!
God heeft u zwaar beproefd! – Ik weetEén troostgrond maar: dat Hij het deed.
Ik wilde ik kon u iets geventot troost diep in uw leven,maar ik heb woorden alleen,namen, en dingen geen.
Er is een kind geboren,Een jongetje in den Mei,De feestmaand, de uitverkorenDer liefde en Poëzij.
Nu kunt gij veilig slapen gaan,Nu al de heemlen openstaan:Ziel, wier verlangen elken donkren wandIn ster aan ster doorzichtig brandt,En in de schoonheid van dit tijdlijk landAl minnen moet uw eeuwig lot,Daar uw verrukking uitziet totDen troon van God.
Plant uw hof naar ’t u belieft,Bouw uw huis naar ’t u gerieft,En – door ’t venster – wijze guit,Lach dees’ zotte wereld uit.
'k Heb menig menig uur bij ugesleten en genoten,en nooit en heeft een uur met ume een enklen stond verdroten.
Dat u een feestdag sticht’ en sterk’,Vriend, tot uw daaglijsche werk!Zijn heil, zijn licht, zijn rust en zoetSchenke u een frisschen moed.Verspil in uitgelaten vreugdUw sterkte noch uw jeugd.Nieuw rijze uw kracht ter eer van God.Uit matig feestgenot!
't Nieuwjaar! Och! 't is altijd 't oude:zitten beven van de koude;dan, deur slijke en moze gaan;later in de zonne braên,als het zwijn zit in de kuipe;'t keerske brandt al in de puipe;en, van zoo de winter fluit,'t keerske is dood, en 't jaar is uit!
Toen, zachtkens, ook voor mij, klonk door de stille drevenDie toon, waarbij het oog verwachtend opwaart ziet,Die englen-zegegroet, dat woord van eeuwig leven:„Vriend, die gij zoekt, die is hier niet!”
Lief, ik kan niet om hem weenenWaar hij stil en eenzaam ligtIn het schoon doorzichtig steenenMasker van zijn aangezichtDat de dingen er om henenMet zijn bleeke toorts belicht.Lief, ik kan geen tranen vindenAls mijn hart hem elders peist,Waar zijn ziel met de bemindeSterren van den avond rijstEn ons, dagelijks verblinden,Hooger wegen wijst.Naar de heemlen van de lage zodenStijg' de gouden offervlam!Wie kan weenen naar de vroeg vergodenDie de dood ons halen kwam? -Tranen, lief, zijn enkel voor de doodenDie het leven nam.
Ik ben een blommeen bloeie voor uwe oogen,geweldig zonnelicht,dat, eeuwig onontaard,mij, nietig schepselken,in 't leven wilt gedoogenen, na dit leven, mijhet eeuwig leven spaart.Ik ben een blommeen doe des morgens open,des avonds toe mijn blad,om beurtelings, nadien,wanneer gij, zonne, zult,heropgestaan, mij nopen,te ontwaken nog eens ofmijn hoofd den slaap te biên.
Is 't mooglijk datgij, reken, die 'knu schrijve, langer levenen verder eensgeraken zultals die u heeft geschreven!Papier, gij leerteen lesse mij,die 't oorbaar is te weten:uw meester, alsge 'r gij nog zijt,zal lange al zijn vergeten!o! Hooger moetik rapen gaanom hope en troost te wervengeen sterven is 't,dat sterven heet:niet heel en zal ik sterven!
Ik moet allichte entwat gaan doen,dat, dravensmoe en drillens,och arme, ik nooit en deed, en datik doen zal, willens nillens.o Heere, staat mij bij, en leertmij, herte en armen open,hetgeen Gij, op uw Kruise deedt,u nadoen, en toch hopen.Toch hopen dat, zoo Gij het grafontreest, ik ook, nadezen,de dood, die Ge overwonnen hebt,zal overwinnend wezen.
De dood is onbermhertig,ze velt al dat er staat;zijt één jaar, zijt er dertig,of honderd: als ze slaat,ge valt, en volgen moet gij;'t en helpt niet, is 't u leedverloren zalft en zoet gij,ge volgt al waar ze u leedt.o Bijster booze zaken,dat ik en weet wanneerde dood mij zal genaken,dien enkelen, eeuwigen keer,'k En weet niet hoe 't geraden,'k en weet niet hoe 't voorzien,'t vervroegen of verspaden:één wete ik, 't zal geschiên!
‘t En is van uhiernederwaard,geschilderd ofgeschreven,mij, moederken,geen beeltenis,geen beeld van ugebleven.Geen teekening,geen lichtdrukmaal,geen beitelwerkvan steene,‘t en zij dat beeldin mij, dat gijgelaten hebt,alleene.
Daar blijft een zegen dien de zielNog maar aan levens einder ziet:Daar zweeft een dauw die nimmer viel,In 't avondlijk verschiet:Vóordat de hemel guldt en roodtRijst uit het klare kimmediepHet zeil van die nabije bootDie nimmer binnenliep:O vreê waarvan de heete dorstAl koeler laaft dan aardschen bron,Ik weet, gij daalt niet in mijn borstDan met de laatste zon.
Waar rijst, uit twijfel, zonde en smart,Altijd, met diep gelooven,Een ongeloovig menschenhartWeer stille en rein, naar boven?’t Is bij het graf der vrome vrouw,Die ’t eerst ons hart bewaarde!Begraaft gij uwer moeder trouwToch met geen handvol aarde.Daar kan geen twijfel, die verleidt,Des harten drang verhinderenHet kinderoog ziet de eeuwigheidEn mannen worden kinderen.
Och, wat miraaklen ons begeven,Voor 't ernstig zoekend hart — geen nood!Steeds blijven wondren meer verheven,Ontroerend, zinrijk, godlijk, groot;Ons prikklend naar omhoog te streven:Ziet, welk een wonder is het LevenEn wat mysterie is de Dood!
’k Verliet het lieve vaderlandSlechts éénmaal in mijn leven,Maar vond geen heil aan ’t ZuiderstrandNoch in de schoonste dreven –Want zij was thuis gebleven.Nu zal ik nooit naar strand noch landMij weer op reis begevenJa, trek alleen aan Liefdes handOp reis naar ’t andre leven!
Zooals de maaiers 's avonds huiswaarts gaan,verzadigd krachtig, in het hoog gezagdes avonds met in 't oog vierkant de dagvan licht, waardoor zij zwaaiend zijn gegaan.Zoo ga ik ook, terwijl de groote maankogelend voortgaat langs de stroeven dagder nacht die 'k even koperhel òpzag,mijn armen en mijn hoofd zijn welberaan.Dit heb ik zóo en dit ook zóo gedaan,mijn beenen gaan nog rustig door het werk,mijn borst dringt voor, mijn oogen zien naar 't rusten.De slaap heeft breed zijn dommelende kusten,daar zal ik als op steenenblauwe zerkslapen, de schouders moe van 't hangend gaan.
Slechts de gedachte aan hem, dien ons de dood onttoog,Blijft, voor wie hem bemint, bestaan.Wij willen zien, en zien de wolken aan,Doch zien zijn beeltnis niet omhoog.Dáár blinken starren, zacht, gelijk zijn oog....God mijner ziel! Neen, hij is niet vergaan:De ziel kan hem nog gadeslaan!
De jubelkroon,zoo frisch en schoonons om de kruin gewonden,heeft korts de dood,met felheid groot,gebroken en geschonden!Doch neen, ze'n kande kroone vande onsterflijkheid niet schenden,die ons te gaêrzal kroonen, waargeen blijdschap meer zal enden!
Zij was de brave vrouwe, erkend van alle lieden;zij sprak: De wille Gods in alles moet geschiedenoprechtelijk, en geen die in heur werken vondhet minste dat het woord heurs herten tegenstond.
Als de Ziele luistertspreek 'et al een taal dat leeft,'t lijzigste gefluisterook en taal en teeken heeft:blâren van de boomenkouten met malkaar gezwind,baren in de stroomenklappen luide en welgezind,wind en wee en wolken,wegelen van Gods heiligen voet,talen en vertolken't diep gedoken Woord zoo zoet...als de Ziele luistert!
Het leven is een' krijgsbanier,door goede en kwade dagen,gescheurd, gevlekt, ontvallen schier,kloekmoedig voorwaards dragen.Men tuimelt wel, en wonden krijgtmen dikwijls, dichte en diepe...‘t en vlucht geen weerbaar man, die wijgt,of hem de dood beliepe!Het leven is... geen vrede alhier,geen wapenstilstand vragen:het leven is de Kruisbaniertot in Gods handen dragen!
Verleent me Gij uw' hulpe, o Heer,in 't werken dóór dit leven,op U gesteund, ne wicht te meer,hoe 't storme, en zal ik beven.Ze 'n kunnen, die mij tegenstaan,maar schelden toch, en schermen;'k zie schimpend, ik, hun' ruwheid aan,gerust in uw ontfermen.« Dat God bewaart is wel bewaard, »zoo leerdet Gij mij spreken,o Heere; en, of Ge in slape waart,mijn schipke 'n zal niet breken.Zegt: « Stille! » en, zoo 't, weleer, dit woord,hiet wind en weder zwijgen,zoo zal 't mij, hebbe ik U aan boord,doen 's Hemels haven krijgen.
Op den bodem van het leven,In de diepte van het hartRust de WeemoedEn de Smart;Maar de Hope rijst er neven,In 't geslingerd menschenhart.Tusschen weemoed, strijd en hopeVliedt het leven snel voorbij:Waakzaam, werkzaamWachten wijDat het Raadsel zich ontknoope,Wat ons korte leven zij.
Een stille, groote deugd, die de englen u benijden,De vrucht van ’t rijk geloof, een sieraad van den geest;Een reine lelie in de doornenkroon van ’t lijden;’t Geheimnisvolle kruid, dat iedre wond geneest!Een stille psalm der ziel, beproefd..... en trouw bevonden;’t Welluidendste gebed in ’t zalig Vaderhuis;Als Magdalena’s liefde, een losprijs veler zonden;Een glans om ’t Kristlijk hoofd, als blonk om Jezus kruis.
'k Worde elken dag geboren enik sterve op elken dag;de zonne gaat, en 't leven, mij,in vier-en-twintig stonden,van 't oosten naar het westen, eneen wonderlijk verdraghoudt alles, dat er in mij isen buiten mij, gebonden.
Lach en tranen worden zeldenAan de heemlen onzer oogen,Als naast zuivre glansdoorweldeMaan de ster vergeet te schijnen,Als aan blauw doorzonde bogenGulden nevelen verdwijnen.Dieper lachen, zachter weenenRuischen door den klaren nacht;Oogen op hun stille wacht,Al de heemlen om ons henenLuisteren verrukt naar éene:Hoe ziel weent en lacht.
„Mijn lief, mijn lief, mijn lief.” Zoo sprak mijn lief mij toe,Terwijl mijn lippen op haar lieve lipjes weidden.De woordjes alle zes, wel klaar en wel bescheiden,Vloeiden mijn ooren in en roerden, 'k weet niet hoe.Al mijn gedachten om; die, 't malen nimmer moê,Het oor mistrouwden en de woordjes wederleiden.Dies ik mijn Vrouwe bad mij klaarder te verbreidenHaar onverwachte reên. En zij herhaalde 't doe.O rijkdom van mijn hart, dat overliep van vreugden!Bedoven viel mijn ziel in haar vol hart van deugden,Maar — toen de morgenstar nam voor den dag haar wijk,Is, met de klare zon, de waarheid droef verrezen.Hemelsche goôn, hoe komt de schijn zoo na aan 't wezen?Het leven droom, en droom het leven zoo gelijk?
In de bladen van een roosjeVindt gij, o mijn zoetste Troostje,Kleene gift. Waar' zij zoo grootAls de gunst, te kleen een doosjeWaar' de gansche wereldkloot.
Gij zijt een bloem, een lichte roode bloemin donkre kamer 's nachts, een bloem, een bloem —vèr om der stede opschokkend gedoem,dicht om der stilte suiskokend gesoem —een lichte roode bloem, een witte bloem.Gij zijt mijn hart, mijn eenzaam levend hart,de daden van mijn lijf slaan rondom hard ,wreed klaterende stem veinst vreugd en smart, —bliksemt mijn lijf, maar binnen is 't al-zwart —eenzaam in mij leeft gij, mijn levend hart.Gij zijt zoo donker en toch vlak bij mij —een bloem voor oogen en een hart in mij —ik zoek te zeggen hoe 'k verlangen lij.
Wij die onze eenzaamheidDroegen als goden,Wij kunnen minnenEindeloos...Zie welk een huis onsVerlangen gebouwd heeft:Landen en zeeënPlaveien zijn vloeren,Zonlicht en maanschijnZoldren de kameren,Achter de sterrenWijken de tinnen —Wij kunnen minnenEindeloos...
Roode lippen, blanke ledenWijken uit hun eng omhelzenNaar de koele heldre grenzenWaar zich oog en oog ontmoetenIn der ziele kus.Als de diepe blauwe heemlenDuren over zee en landen,Duren over dood en leven, -Over liefdes dood en levenDuurt der zielen kus.Toch, ons zielen konden nimmerTot elkaêr in oogen reiken,Konden niet uw warme lippenMijne warme lippen kussen,Hadden niet mijn roode lippenUwen rooden mond gekust.
Zingen, lief, is zich belijdenIn de naakte heimlijkheidWaar de goden zelf in schrijdenDoor de godenlooze tijdenEnkel kenbaar den gewijdenAls hun hand den zegen breidt, —Zingen, lief, is zich belijdenIn zoo naakte heimlijkheid!
Dit is geluk:Dit is de vreugd die langer duurtDan de' eigen dag, dan overnacht;De vreugd die groeit in droomen onbedachtEn, vóor de zon den witten morgen vuurt,Om roereloozen slaper wachtIn al der aardedingen donkre pracht;Dit is de vreugd die zich niet meer bezint:O onverwonderd wonder, heilge machtVan 't dagelijks herboren kindDat vreugde om vreugde alleen bemintEn de aard tot in den hemel lacht;Dit is de vreugd die duren kan en duurt: —Dit is geluk.
Zienlijk wordt de wereld bleek,Welhaast zal het nachten —'k Weet, de woorden die ik spreek,Zijn mijn liefs gedachte:Godlijk is ons zuiver staanBoven 't lage duister —Godlijker is ondergaanIn vermeerden luister.
Als ik, van uw effen voorhoofd,De verwarde lokken strijk,En, mijn handen aan uw slapen,U in de oolijke oogen kijk....Voelt ge dan, mijn blonde meisje,Dat ik ziels-gelukkig ben,Schoon ik niet, met radde lippen,Al mijn zaligheid beken?Zouden duizend woorden kunnenZeggen, wat ik tot u zeg,Als ik op die volle lokkenZegenend de handen leg?Arme taal, die uit moet spreken,Hoe gij innig mij bemint,Als ge, ’t kopjen aan mijn schouder,Schreit als een gelukkig kind!
Zijt gij maar eindlijk eens mijn vrouw,Dan zal u de aard benijden!Wij leven pleizierig en teeder en trouw,In ’t feestlijkst verblijden.Ik zal, mijn lief, mijn lam, mijn ooi,Uw nukken als wetten vereeren; —Maar, kindlief! vind je mijn verzen niet mooi,Dan — ga ik separeeren.
Mijn lieve vriend, gij zijt verliefd,Gij voelt een nieuwe smarte;’t Wordt in uw hersens duistre nacht,De dag rijst in uw harte!Mijn lieve vriend, gij zijt verliefd,Wat jok–, wat wrok–, wat mok–je?Reeds slaan de vlammen van uw hartDoor uw nieuwmodisch rokje!
De bruiloftklokke luidt, de kranzen zijn gewonden;komt allen, jonge liên en meiden, toegestroomd,aanhoort den bruiloftzang, den lofzang versch gevonden,ter eere van de Bruid en die haar halen koomt,Ze stond gelijk een blom, ontloken, en de windenverspreidden overal den zoeten geur van haar:„Wie zal de plukker zijn, wie zal de schoone vinden,wie, wie,” zei iedereen, „wie wordt heur wederpaar?”
Levenslust is ’t ware leven,Is het liefelijkste goed,Dat de lachende aard kan gevenVan haar weelde en overvloed.’t Is geen trek der dwaze zinnen’t Jonge leven te beminnen:Levenslust is levenskracht;Levenslust is vroolijk strijden,Hopend en geduldig lijden –Is een kinderlijk verblijden,Dat den Hemel tegenlacht.
’k Heb aan tafel nooit gezetenZonder naar genoegen te eten.Nimmer greep ik in mijn tasch,Dat ik ganschlijk „platzak” was.Riep mij ’t zonnetje naar buiten,’k Had mij nimmer op te sluiten.En ’k heb nooit gewandeld, ofVoor een dichtje vond ik stof....Liedjes, vrijheid, geld en spijzen —Zou ik daarvoor God niet prijzen?
Hoe! zijn uwe oogjes nog vol vaak?Kijk uit, langs weî en akker,De bloempjes worden wakker,—Ontwaak, ontwaak, ontwaak!Ei, bloempjes! dat is mis geweest,Dat dien-je maar te weten!Wij hadden 't niet vergetenDat blijde, blijde feest.Neen, lang al zijn wij kant en klaar,Van 't hoofd tot aan de voeten,Om Meester-lief te groeten,Te groeten paar aan paar.En als ter school hij binnentreedt,Dan zullen wij met zangenEn versjes hem ontvangenVoor 't goed dat hij ons deed.Dan bidden we onzen Lieven Heer:"o Mogt uw gunst ons geven,Om hem tot vreugd te leven,En U, o God! tot eer!"
Dat mijn haar vergraauwt is een kleinigheid. Ik ben altijd eeven jong of eeven oud als de jongste en de oudste van dit dorp.
Vertaald door Frederik van Eeden (1916)
Bekijk de bron
Zijn tandelooze mondlacht lieflijk; ongewonnenzoo is het woord hem nog,en 't weten onbegonnenvan mannelijk verdriet,van vrouwelijk misbaar:een kerstekind en is 't,een borelingske maar.o Mochte 't, immer voort,eenparelijk verblijden;een borelingske zijn,dat lacht, ten allen tijden,zoo 't nu doet; onbewust,het muilke rood en rond,waarom zoo lustig lachtzijn tandelooze mond!
„Welkom in dit leven,Zoo treurig en zoo blij!Pluk bloemen in zijn dreven,Gij knaapje van den Mei!”
Mijn allerliefste zusje,Dat zit op Moeders schoot;Ik geef haar van mijn eten,Dan wordt ze spoedig groot;Ik zing haar al mijn liedjes,Dan wordt ze spoedig zoet;Ik leer haar al mijn lesjes,Dan wordt ze wijs en goed.
Waait mij nu zoetjes,o zuchtende wind;wiegt mij en douwt mijdat zuilende kind;speelt om zijn wichtelijkaanzichte en laatJesuken rusten: hetslapen nu gaat.Palmen, die roerende enwagende zijt,stilt om mijn kindeke uwtakken nen tijd;engelkes, zoetjes, ach,Jesuken wiltslapen: uw' tonge enuw' harpe nu stilt.
Wat heerlijkheid straalde over Bethlehems velden!Wat hemelsche tonen doorgolven den trans!In de eenzame nachtwaak der kudden ontsteldende herders, omschenen van Godlijken glans!
Het jaar is uit-en tendengeleefd:van al zijne oudeellenden en heeftden last het ons ontgeven;het nieuwjaar heeft,van heden af aan,voor elk ende een,een schrede gedaan :wie zal 't tot tenden leven?
Wie is 't, dat blijde en blondgehaardverschijnsel, dat, in 't groen getooid,met lichten terd voorbij mij vaarten looveren langs de lanen strooit?Wie helpt er 't lieve lentekruid,dat wegzit en verdoken al,ten boomgaarde en ter gersvodde uit,op 't hooge veld, in 't leege dal?Wie is 't, die uit den akker haalt't gepriemel van de koorenaar,die wakker wordt en zegepraalt?Wie is 't ? Wie is 't? Het jonge jaar.
Het oud jaar is gekist,genageld en begraven;en 't nieuwe, korts nadien,kwam schielijk aan te draven.Zoo 't oude was, zoo zalwaarschijnlijk 't nieuwe zijn,vervuld van koud en heet,van lieflijkheid en pijn.Een dingen wensche ik u,en mij en allen samen,het oude jaar en 't nieuwte doen, in Godes namen,van aan den eersten dagtot aan den laatsten tuk,een lange keten zijnvan christenweerd geluk.
Dat nieuwe is.... voor wie 't dragen kan!Gun mij den vrede, jonge man,Ik laat maar liefst die dingen rusten:Ik kwam op 't moeilijk pad van plichtDoor 't leven heen, bij 't oude LichtAl nader blauwen gindsche kusten!Een kort geduld.... en beter danGij hiér weet ik er 't fijne van !
Geen' heerdstêe nu,geen' kave, in 't dorp,of rook 'n laat ze puilenten avonde in,die nederdaalt.De vogels zijn gaan schuilen.Gaan schuilen nuook, meer als moe,gaan stillekens, benedenhun eigen dak,de menschen, methun afgewrochte leden.
Voorbij is, eer het woord voluitmijn tonge ontsnapt, het veêrgefluitdes vogels, die is verre en wijdvan hier, bijkans in géénen tijd.Voorbij, zoo vaart het stoom getuigzijn vechtend vier- en vonkgespuigde schenen langs, éen stonde, en isverdwenen in de duisternis.Voorbij zoo loopt een schaduw langsde stappen meê mijns wandelgangs,dóór 't onafmeetbaar veld, dat ikontgroenen zie van stik tot stik.Voorbij, zoo valt een striepken licht,een valsterre, over 't aangezichtdes hemels, en 'k en zie daarvangeen speur, eer zesse ik tellen kan.Voorbij o God, u uitgespaard,gaat 't al voorbij en tendenwaard,gaat al dat is of was voorbij:Gij zijt alleene en blijft God, Gij!
Nimmer zal de ziel vergetenSchoone wereld waar zij leerdeWat gemis niet had gewetenDat zij de eeuwen lang begeerde:O te lachten, o te weenen,Zich in lach en tranen geven,Tot te lachen of te weenenWordt der lichte ziel om 't even:O te weenen, o te lachenTot de neevlen zijn doorschenen,En haar weenen wordt als lachen,En haar lachen is als weenen:Land van lachen en van schreienTot de stille dood haar strekte,Waar haar smart en haar verblijenAl de zuivere echo's wekte,Nimmer zal de ziel vergetenSchoone wereld waar zij leerdeWat zij zelf niet had gewetenDat zij de eeuwen lang begeerde.
Die ik het meest heb liefgehad, –’t Was niet de slanke bruid, met wie ik in ’t zoeter levenMocht dwalen op het duin en droomen in de dreven,Wier hand mij leidde op ’t rozenpad;’t Was niet de jonge en teedere vrouw,Die, goede genius, mijn hart, mijn huis bewaakte,Die mij het leven, ach, zoo licht en lieflijk maakte,Met al den rijkdom harer trouw!„Zoo was ’t de moeder van uw kroost,Die u, gelukkige, voor ’t offer veler smarte,Deed smaken, onvermengd, het reinst geluk van ’t harte,Des levens liefelijksten troost?”Neen! – die ik ’t meest heb liefgehad,Dat was mijn kranke; ’t was de moede, de uitgeteerde,Van wie ik leven beide en hopend sterven leerde,Toen ’k weenend aan haar sponde zat.
Mijn hert is als een blomgewas,dat, opengaande of toegeloken,de stralen van de zonne vangt,of kwijnt en pijnt en hangt gebroken!Mijn hert gelijkt het jeugdig groen,dat asemt in den dauw des morgens;maar zwakt, des avonds, moe geleefd,vol stof, vol weemoeds en vol zorgens!
Zachte, frissche lentestralen,Liefdegeur en liefdegloedStroomen door dees rijke dalen,Stroomen in mijn blij gemoed.
Wees dan welkom! leef te vreden,En stap eens met mannentredenDoor dat ruw en hobblig pad,Dat wy menschen leven noemen,Rijk aan dorens, schaarsch aan bloemen,’t Geen ik reeds ten einde trad.Mooglijk, en ik wil het hopen,Vindt ge ’t zoeter door te loopenDan het my gevallen is.’k Moest het onder zware buien,Bukkend, kreupel, overkruien;Gy, doorspring het, blij en frisch!
Welkom dan, gelukkig spruitjen,Welkom op dit dobbrend rond!Groei en groen als ’t LentekruidtjenIn den pas ontsloten’ grond!Weps en rups ontzie uw bladeren, wind noch onweêr schudde uw’ steel!En uw zoet en geurig bloeienVall’ geen schroeienVan te heet een zon ten deel!
Lief kleintjen, slaap, en smaak die sluimringsweelde,Die moeders oog sints lang niet overspreidt.Zy waakt om u; en, wat haar ’t hart ooit streelde,Dit waken heeft een teedrer zaligheid.Zy waakt om u, — om in de vreugd te badenVan u te zien, te zorgen voor uw rust.Hoe zou ze ’t oog in u te zien, verzaden?Hoe ’t zwelgend hart verzaden in die lust?
Koning zijt gy my gewordennu ge een zoon drukt aan uw borst:Was niet de eerste Vorst een Vader?Is, wie Vader werd, niet Vorst?Heil dan met dien dag van zegen,voor uw stamhuis opgegaan!Heil met d’ eerstling van uw liefde!met uw eersten onderdaan!
Kindje! dat zacht met je vlasblonde popjeSpeelt, je rein stemmetje kan nog niet schreien,'t Lacht nu en zingt in moederlijk verblijenTeederlijk voor popje een liedje, — je kopjeWiegt als een bloemetje, dat bij het glijen's Avonds van de' avondwind, 't zijige kopjeDeint, en vleiende van de zon nog 'n dropjeKrijgt van haar wijn, om welig te gedijen.Kindje! nu wiegt het leven je in zijnBreede armen, als een popje zoo zacht, jeOogen zijn bloemen, — het daglicht dat lacht jeMoederlijk toe, — het sterke leven wacht je, — —Mocht eenmaal, — o! kindje moge altijd mijnLiefde als 'n krans muziek om je hoofdje zijn!
Haast ben je niet meer Benjamin,Dan neemt een ander je plaatsje in,Mijn lieve, kleine jongen!Dan zet je moeder je neer op de grond,Dan zegt je vader: loop heen, loop rond –Je wordt door een aapje verdrongen.Haast ben je niet meer BenjaminDan krijg je niet altoos meer je zin,En moogt je fortuin gaan zoeken,Dan eet er een ander de kaas van je brood,Dan heerscht er een ander op moeders schoot –Een koninkje in linnen doeken.Dan sta je gelijk, jij, met je andere broêrs,En maak je spektakel, men noemt u jaloersch,Men lacht om uw gramschap, klein wichtje!Dan, wie er je soms nog beschermen moog –Een ander heeft ieders hart en oog,In spijt van je lieve gezichtje?
Ik ben een kind,Van God bemind,En tot geluk geschapen.Zijn liefde is groot;'k Heb speelgoed, kleedren, melk en brood,Een wieg om in te slapen.Ik leef gerust;Ik leer met lust;Ik weet nog van geen zorgen.Van 't speelen moe,Sluit ik mijn oogjens 's avonds toe,En slaap tot aan den morgen.Geloofd zij GodVoor 't ruim genotVan zoo veel gunstbewijzen!Mijn hart en mondZal hem, in elken morgenstond,En elken avond prijzen.
Een kind dat altijd verlangt,zoo als een groot bloemhart hangt,open, zoo geborenin het daggloren.
Heil Bruidegom en Bruid, elkaêr van God gegevenvoortaan in lief en leed voor altoos lotgemeen!Heil by den ingang van uw nieuw, verdubbeld leven,gy, door Zijn Woord verklaard niet langer twee, maar één!Moogt ge ieder nieuwe zon, aan één disch gezeten,door d’ eigen drank gelaafd, en door éém brood gevoed,uw harten vol van heil, God lovend, welkom heeten,en roemen dáárin ’t meest — ’t Is vrucht van Jesus bloed!
In zachte zielevreugd, bevoorrecht echtlijk paar !vervult zich op dees dag uw zilvren bruiloftsjaar.Moog' zich die zilverglans tot gloed van goud verhoogen,op kroost met kroost van kroost uw dankbre grijsheid bogen,aartsvaderlijk gestemd tot hooger bruiloftsdisch,waarop wie Jesus eert van Hem genoodigd is.
Half een vijftigtal van jarent' zaam gedragen op de barenvan de ruime levenszee,met verwisslend wel en wee!Dat het feest zij in uw huis,hoe ook vaak beproefd in kruis!Is het vreugde?God verheugde!Waren't tranen ? — God verzoet!En voor allen die gelooven,maak' het Jesus-zelf daarbovenalles — en oneindig — goed!
In den naam des Gods van liefde,die by d’ aanvang heeft verklaardaan ’t boetseersel dat Hy vormdetot Zijn evenbeeld op aard:„hooger heil dan heel dit Edenu ten erfdeel toegezegd,nog een leven in het levenwerd van My u weggelegd.Uit de hand van uw Formeerder,uit uw eigen vleesch en beenzij eene egade u geschonkenmet u zalig, met u één.”
Van God bevoorrecht paar, in ’t bloeien uwer dagenvereenigd om te zaam Zijn zalig jok te dragen!Een lamp zij voor uw voet, een zon blijve op uw pad,langs ’t u gegunde spoor nar de eeuwge vredestad,dat Woord, voor eeuw aan eeuw onfeilbaar neêrgeschreven,die Schrift, door d’ eeuwgen Geest Zijn’ heilgen ingegeven!Het zout by vreugde en vreê, het zoet by kamp en kruis,de vraagbaak van uw hart, het wetboek van uw huis,de noordstr, die op aard uw weg en gangen regelt,’t bewijs der erfnis, u verzekerd en verzegeld,’t getuignis van den Heer, wiens vlekloos offerbloedvoor hart en huis by God gestaâg verzoening doet!Met door Zijn Woord en Geest steeds versch hergeven krachtenwelzalig die Hem dient! welzalig die Hem wachten!
Heil Bruidegom! heil Bruid! Wy dragen met u roemin ’t geen Gods gunst u schonk, uw echtheil is geen bloemdie eerlang weêr verwelkt, maar vrucht bedaauwd beregenddoor stille zielsgebeên, en zóó van God gezegend,(dus zij ’t) niet voor een tijd, maar voor eene eeuwigheid.
Haar oog, haar ziel, hangt drijvende aan zijn lippen;Zijn stemgeluid is enkle tooverzang:En mocht die ziel met hem te samenglippen,Geen pijn, geen leed, viel ’t teedre hart te bang.ô Zalig dan, als welgestemde zielenZich dus verstaan! o Zalig dan het licht!De Huwlijkskar op diamanten wielenSpreidt al zijn glans voor haar verrukt gezicht.Gelukkige, zie daar den zegewagenVan reine Min! treed op als teedre Bruid!Een tortelpaar, in dat gareel geslagen,Ontvoert u de aard, en alle smart heeft uit.
Gheeft dy de swackheyt toe van u lieve Mannin,Soo sal de een jonst de ander brenghen in,Soo sal sy uyt d’eene deucht veel and’re deuchden vloeyen,Soo sal de goedheyt Gods u doen In liefden bloeyen,Soo sal de seghen rijck van voorspoet en van vreeDen Heer u voeren t’huys: God is de liefde mee.
Van wandel, van geweten rein,Van leden gaaf, gezond van brein,Met matigheid en vlijt gezegend,Voor dien is ’t dat het rozen regent!Diens grijsheid boet geen dolle vreugdVan de uitgelatenheid der jeugd;En geen herinn’ring aan ’t voorledenWreekt reeds vergeten spoorloosheden.Dien is de toekomst die hem wacht,Een uitzicht dat hem tegenlacht,En kracht geeft om de last der dagenMet kalmen moed en lust te dragen.
De regen houdt op — de zonGaat langzaam onder,De aarde, in die lichte bron,Lijkt wel een wonder!Aan wat lang geleden ísDenk ik geruster,Wat nog niet gestreden isZie ik bewuster.Het geurt in de schemering —Gij blinde buk: —Tusschen hoop en herinneringBloeit uw geluk!
Blijft nog lange, o oude bonke,staan daar, van den wulgentronke,staan en, bij den waterboord,dragen jonghout, immervoort!Wij zijn 't jonghout, die op de oudekoppen staan, wier menigvoudewortels uit den moederschoothalen ons het daaglijksch brood.
Garbrande, wilt ghy leven recht gerust?So lieft uyt liefd’ den lieven God met lust:Schuwt het misbruyck van d’algemeene lien,Die meer op elck als op haer selven sien.Wilt dat ghy meugt en wenscht geen sotten wens;Genoegh vernoeght den licht-vernoeghde Mens;Armoe van wil die salight het gemoedMeer als de vreck en rijcken overvloed.
Gy, Grijzaart die, na langgerekte dagenTe rug ziet op op afgelegden tocht,Wat zegt uw hart van de uitgestane plagen?Van bloem of vrucht, die u verkwikken mocht?Gevoelt ge nog, als toen ge in dartle sprongenDen weg vergat, en afgedwaalde uit het spoor?Of koelde u ’t bloed verdikt in hart en longen,En ziet ge u-zelf met meer bedaardheid door?
Wat ’s die Winteravond lang!Och wat valt het leven bang,Als men niet kan lanterfanten,Boekzaals lezen of kouranten,Wisk noch lamberlotten kent,En met Tijdschrift, Recensent,Let- of Las-ter-oefeningen,De eenzame uren moet verdringen!Wat verlang ik naar gesprek;Ja, als was ’t ook van een gek!
Ik heb lust in mijn lot,Ik heb rust in mijn God,En mijn strijdlust is: vrede des Heeren!Hoor! de westewind suist,En het korenveld ruischt ....Dat is Hij, die de oogst zal vermeeren.
12 van 86 teksten getoond
Niets gevonden voor “”.
Waarom is dit gratis?
Omdat deze woorden al van iedereen zijn. Gebruik ze in een kaart, een liturgie, een speech of een product, zonder toestemming of betaling.
In de EU vervalt het auteursrecht 70 jaar na de dood van de schrijver. Alle dichters en vertalers hier overleden in 1955 of eerder.
Elke tekst komt woord voor woord uit een oude uitgave, met een link naar de bron, zodat je het zelf kunt nakijken.
De nieuwste tekst hier verscheen in 1918. Elke regel is door een mens geschreven.
Af en toe nieuwe teksten
We voegen regelmatig gedichten en verzamelingen toe. Laat je e-mailadres achter, dan laten we het je weten.
Vrijblijvend. Eén korte mail per nieuwe verzameling, verder niets.