Dit is geluk:Dit is de vreugd die langer duurtDan de' eigen dag, dan overnacht;De vreugd die groeit in droomen onbedachtEn, vóor de zon den witten morgen vuurt,Om roereloozen slaper wachtIn al der aardedingen donkre pracht;Dit is de vreugd die zich niet meer bezint:O onverwonderd wonder, heilge machtVan 't dagelijks herboren kindDat vreugde om vreugde alleen bemintEn de aard tot in den hemel lacht;Dit is de vreugd die duren kan en duurt: —Dit is geluk.
Woorden voor een nieuw kindje
Gedichten voor een geboorte
Klassieke regels voor een geboortekaartje, een felicitatie of een doop: van De Génestets ‘Er is een kind geboren’ en Van Alphens ‘Ik ben een kind, van God bemind’ tot Gezelles ‘Het borelingske’. Vrij te gebruiken, letterlijk overgenomen uit de oorspronkelijke uitgave.
De teksten staan in hun oorspronkelijke spelling (zoo, mensch, heemlen). Gezelle schreef in een Vlaams gekleurd Nederlands.
Zijn tandelooze mondlacht lieflijk; ongewonnenzoo is het woord hem nog,en 't weten onbegonnenvan mannelijk verdriet,van vrouwelijk misbaar:een kerstekind en is 't,een borelingske maar.o Mochte 't, immer voort,eenparelijk verblijden;een borelingske zijn,dat lacht, ten allen tijden,zoo 't nu doet; onbewust,het muilke rood en rond,waarom zoo lustig lachtzijn tandelooze mond!
Er is een kind geboren,Een jongetje in den Mei,De feestmaand, de uitverkorenDer liefde en Poëzij.
„Welkom in dit leven,Zoo treurig en zoo blij!Pluk bloemen in zijn dreven,Gij knaapje van den Mei!”
Mijn allerliefste zusje,Dat zit op Moeders schoot;Ik geef haar van mijn eten,Dan wordt ze spoedig groot;Ik zing haar al mijn liedjes,Dan wordt ze spoedig zoet;Ik leer haar al mijn lesjes,Dan wordt ze wijs en goed.
Waait mij nu zoetjes,o zuchtende wind;wiegt mij en douwt mijdat zuilende kind;speelt om zijn wichtelijkaanzichte en laatJesuken rusten: hetslapen nu gaat.Palmen, die roerende enwagende zijt,stilt om mijn kindeke uwtakken nen tijd;engelkes, zoetjes, ach,Jesuken wiltslapen: uw' tonge enuw' harpe nu stilt.
Wees dan welkom! leef te vreden,En stap eens met mannentredenDoor dat ruw en hobblig pad,Dat wy menschen leven noemen,Rijk aan dorens, schaarsch aan bloemen,’t Geen ik reeds ten einde trad.Mooglijk, en ik wil het hopen,Vindt ge ’t zoeter door te loopenDan het my gevallen is.’k Moest het onder zware buien,Bukkend, kreupel, overkruien;Gy, doorspring het, blij en frisch!
Welkom dan, gelukkig spruitjen,Welkom op dit dobbrend rond!Groei en groen als ’t LentekruidtjenIn den pas ontsloten’ grond!Weps en rups ontzie uw bladeren, wind noch onweêr schudde uw’ steel!En uw zoet en geurig bloeienVall’ geen schroeienVan te heet een zon ten deel!
Lief kleintjen, slaap, en smaak die sluimringsweelde,Die moeders oog sints lang niet overspreidt.Zy waakt om u; en, wat haar ’t hart ooit streelde,Dit waken heeft een teedrer zaligheid.Zy waakt om u, — om in de vreugd te badenVan u te zien, te zorgen voor uw rust.Hoe zou ze ’t oog in u te zien, verzaden?Hoe ’t zwelgend hart verzaden in die lust?
Koning zijt gy my gewordennu ge een zoon drukt aan uw borst:Was niet de eerste Vorst een Vader?Is, wie Vader werd, niet Vorst?Heil dan met dien dag van zegen,voor uw stamhuis opgegaan!Heil met d’ eerstling van uw liefde!met uw eersten onderdaan!
Kindje! dat zacht met je vlasblonde popjeSpeelt, je rein stemmetje kan nog niet schreien,'t Lacht nu en zingt in moederlijk verblijenTeederlijk voor popje een liedje, — je kopjeWiegt als een bloemetje, dat bij het glijen's Avonds van de' avondwind, 't zijige kopjeDeint, en vleiende van de zon nog 'n dropjeKrijgt van haar wijn, om welig te gedijen.Kindje! nu wiegt het leven je in zijnBreede armen, als een popje zoo zacht, jeOogen zijn bloemen, — het daglicht dat lacht jeMoederlijk toe, — het sterke leven wacht je, — —Mocht eenmaal, — o! kindje moge altijd mijnLiefde als 'n krans muziek om je hoofdje zijn!
Haast ben je niet meer Benjamin,Dan neemt een ander je plaatsje in,Mijn lieve, kleine jongen!Dan zet je moeder je neer op de grond,Dan zegt je vader: loop heen, loop rond –Je wordt door een aapje verdrongen.Haast ben je niet meer BenjaminDan krijg je niet altoos meer je zin,En moogt je fortuin gaan zoeken,Dan eet er een ander de kaas van je brood,Dan heerscht er een ander op moeders schoot –Een koninkje in linnen doeken.Dan sta je gelijk, jij, met je andere broêrs,En maak je spektakel, men noemt u jaloersch,Men lacht om uw gramschap, klein wichtje!Dan, wie er je soms nog beschermen moog –Een ander heeft ieders hart en oog,In spijt van je lieve gezichtje?
Ik ben een kind,Van God bemind,En tot geluk geschapen.Zijn liefde is groot;'k Heb speelgoed, kleedren, melk en brood,Een wieg om in te slapen.Ik leef gerust;Ik leer met lust;Ik weet nog van geen zorgen.Van 't speelen moe,Sluit ik mijn oogjens 's avonds toe,En slaap tot aan den morgen.Geloofd zij GodVoor 't ruim genotVan zoo veel gunstbewijzen!Mijn hart en mondZal hem, in elken morgenstond,En elken avond prijzen.
Een kind dat altijd verlangt,zoo als een groot bloemhart hangt,open, zoo geborenin het daggloren.
Af en toe nieuwe teksten
We voegen regelmatig gedichten en verzamelingen toe. Laat je e-mailadres achter, dan laten we het je weten.
Vrijblijvend. Eén korte mail per nieuwe verzameling, verder niets.