Waar rijst, uit twijfel, zonde en smart,Altijd, met diep gelooven,Een ongeloovig menschenhartWeer stille en rein, naar boven?’t Is bij het graf der vrome vrouw,Die ’t eerst ons hart bewaarde!Begraaft gij uwer moeder trouwToch met geen handvol aarde.Daar kan geen twijfel, die verleidt,Des harten drang verhinderenHet kinderoog ziet de eeuwigheidEn mannen worden kinderen.
Dichter
Gedichten van P.A. de Génestet
20 teksten van P.A. de Génestet, uit Dichtwerken. P.A. de Génestet overleed in 1861, dus het werk is publiek domein.
Over P.A. de Génestet
Petrus Augustus de Génestet (1829–1861), Amsterdamse dominee en dichter. Bekend om zijn eenvoudige, warme en soms spottende verzen.
Gebruikte uitgaven
- De dichtwerken van P.A. de Génestet (Amsterdam: Gebroeders Kraay, 1877) (Wikisource)
- De dichtwerken van P.A. de Génestet (Amsterdam: Gebroeders Kraay, 1877) (Wikisource)
- De dichtwerken van P.A. de Génestet (Amsterdam: Gebroeders Kraay, 1877) (Wikisource)
- De dichtwerken van P.A. de Génestet (Amsterdam: Gebroeders Kraay, 1877) (Wikisource)
- De dichtwerken van P.A. de Génestet (Amsterdam: Gebroeders Kraay, 1877) (Wikisource)
- De dichtwerken van P.A. de Génestet (Amsterdam: Gebroeders Kraay, 1877) (Wikisource)
- De dichtwerken van P.A. de Génestet (Amsterdam: Gebroeders Kraay, 1877) (Wikisource)
- De dichtwerken van P.A. de Génestet (Amsterdam: Gebroeders Kraay, 1877) (Wikisource)
- De dichtwerken van P.A. de Génestet (Amsterdam: Gebroeders Kraay, 1877) (Wikisource)
- De dichtwerken van P.A. de Génestet (Amsterdam: Gebroeders Kraay, 1877) (Wikisource)
- De dichtwerken van P.A. de Génestet (Amsterdam: Gebroeders Kraay, 1877) (Wikisource)
- De dichtwerken van P.A. de Génestet (Amsterdam: Gebroeders Kraay, 1877) (Wikisource)
- De dichtwerken van P.A. de Génestet (Amsterdam: Gebroeders Kraay, 1877) (Wikisource)
- De dichtwerken van P.A. de Génestet (Amsterdam: Gebroeders Kraay, 1877) (Wikisource)
- De dichtwerken van P.A. de Génestet (Amsterdam: Gebroeders Kraay, 1877) (Wikisource)
- De dichtwerken van P.A. de Génestet (Amsterdam: Gebroeders Kraay, 1877) (Wikisource)
- De dichtwerken van P.A. de Génestet (Amsterdam: Gebroeders Kraay, 1877) (Wikisource)
- De dichtwerken van P.A. de Génestet (Amsterdam: Gebroeders Kraay, 1877) (Wikisource)
- De dichtwerken van P.A. de Génestet (Amsterdam: Gebroeders Kraay, 1877) (Wikisource)
Och, wat miraaklen ons begeven,Voor 't ernstig zoekend hart — geen nood!Steeds blijven wondren meer verheven,Ontroerend, zinrijk, godlijk, groot;Ons prikklend naar omhoog te streven:Ziet, welk een wonder is het LevenEn wat mysterie is de Dood!
’k Verliet het lieve vaderlandSlechts éénmaal in mijn leven,Maar vond geen heil aan ’t ZuiderstrandNoch in de schoonste dreven –Want zij was thuis gebleven.Nu zal ik nooit naar strand noch landMij weer op reis begevenJa, trek alleen aan Liefdes handOp reis naar ’t andre leven!
God heeft u zwaar beproefd! – Ik weetEén troostgrond maar: dat Hij het deed.
Op den bodem van het leven,In de diepte van het hartRust de WeemoedEn de Smart;Maar de Hope rijst er neven,In 't geslingerd menschenhart.Tusschen weemoed, strijd en hopeVliedt het leven snel voorbij:Waakzaam, werkzaamWachten wijDat het Raadsel zich ontknoope,Wat ons korte leven zij.
Een stille, groote deugd, die de englen u benijden,De vrucht van ’t rijk geloof, een sieraad van den geest;Een reine lelie in de doornenkroon van ’t lijden;’t Geheimnisvolle kruid, dat iedre wond geneest!Een stille psalm der ziel, beproefd..... en trouw bevonden;’t Welluidendste gebed in ’t zalig Vaderhuis;Als Magdalena’s liefde, een losprijs veler zonden;Een glans om ’t Kristlijk hoofd, als blonk om Jezus kruis.
Zijt gij maar eindlijk eens mijn vrouw,Dan zal u de aard benijden!Wij leven pleizierig en teeder en trouw,In ’t feestlijkst verblijden.Ik zal, mijn lief, mijn lam, mijn ooi,Uw nukken als wetten vereeren; —Maar, kindlief! vind je mijn verzen niet mooi,Dan — ga ik separeeren.
Mijn lieve vriend, gij zijt verliefd,Gij voelt een nieuwe smarte;’t Wordt in uw hersens duistre nacht,De dag rijst in uw harte!Mijn lieve vriend, gij zijt verliefd,Wat jok–, wat wrok–, wat mok–je?Reeds slaan de vlammen van uw hartDoor uw nieuwmodisch rokje!
Dat u een feestdag sticht’ en sterk’,Vriend, tot uw daaglijsche werk!Zijn heil, zijn licht, zijn rust en zoetSchenke u een frisschen moed.Verspil in uitgelaten vreugdUw sterkte noch uw jeugd.Nieuw rijze uw kracht ter eer van God.Uit matig feestgenot!
Levenslust is ’t ware leven,Is het liefelijkste goed,Dat de lachende aard kan gevenVan haar weelde en overvloed.’t Is geen trek der dwaze zinnen’t Jonge leven te beminnen:Levenslust is levenskracht;Levenslust is vroolijk strijden,Hopend en geduldig lijden –Is een kinderlijk verblijden,Dat den Hemel tegenlacht.
’k Heb aan tafel nooit gezetenZonder naar genoegen te eten.Nimmer greep ik in mijn tasch,Dat ik ganschlijk „platzak” was.Riep mij ’t zonnetje naar buiten,’k Had mij nimmer op te sluiten.En ’k heb nooit gewandeld, ofVoor een dichtje vond ik stof....Liedjes, vrijheid, geld en spijzen —Zou ik daarvoor God niet prijzen?
Er is een kind geboren,Een jongetje in den Mei,De feestmaand, de uitverkorenDer liefde en Poëzij.
„Welkom in dit leven,Zoo treurig en zoo blij!Pluk bloemen in zijn dreven,Gij knaapje van den Mei!”
Plant uw hof naar ’t u belieft,Bouw uw huis naar ’t u gerieft,En – door ’t venster – wijze guit,Lach dees’ zotte wereld uit.
Dat nieuwe is.... voor wie 't dragen kan!Gun mij den vrede, jonge man,Ik laat maar liefst die dingen rusten:Ik kwam op 't moeilijk pad van plichtDoor 't leven heen, bij 't oude LichtAl nader blauwen gindsche kusten!Een kort geduld.... en beter danGij hiér weet ik er 't fijne van !
Die ik het meest heb liefgehad, –’t Was niet de slanke bruid, met wie ik in ’t zoeter levenMocht dwalen op het duin en droomen in de dreven,Wier hand mij leidde op ’t rozenpad;’t Was niet de jonge en teedere vrouw,Die, goede genius, mijn hart, mijn huis bewaakte,Die mij het leven, ach, zoo licht en lieflijk maakte,Met al den rijkdom harer trouw!„Zoo was ’t de moeder van uw kroost,Die u, gelukkige, voor ’t offer veler smarte,Deed smaken, onvermengd, het reinst geluk van ’t harte,Des levens liefelijksten troost?”Neen! – die ik ’t meest heb liefgehad,Dat was mijn kranke; ’t was de moede, de uitgeteerde,Van wie ik leven beide en hopend sterven leerde,Toen ’k weenend aan haar sponde zat.
Toen, zachtkens, ook voor mij, klonk door de stille drevenDie toon, waarbij het oog verwachtend opwaart ziet,Die englen-zegegroet, dat woord van eeuwig leven:„Vriend, die gij zoekt, die is hier niet!”
Zachte, frissche lentestralen,Liefdegeur en liefdegloedStroomen door dees rijke dalen,Stroomen in mijn blij gemoed.
Haast ben je niet meer Benjamin,Dan neemt een ander je plaatsje in,Mijn lieve, kleine jongen!Dan zet je moeder je neer op de grond,Dan zegt je vader: loop heen, loop rond –Je wordt door een aapje verdrongen.Haast ben je niet meer BenjaminDan krijg je niet altoos meer je zin,En moogt je fortuin gaan zoeken,Dan eet er een ander de kaas van je brood,Dan heerscht er een ander op moeders schoot –Een koninkje in linnen doeken.Dan sta je gelijk, jij, met je andere broêrs,En maak je spektakel, men noemt u jaloersch,Men lacht om uw gramschap, klein wichtje!Dan, wie er je soms nog beschermen moog –Een ander heeft ieders hart en oog,In spijt van je lieve gezichtje?
Ik heb lust in mijn lot,Ik heb rust in mijn God,En mijn strijdlust is: vrede des Heeren!Hoor! de westewind suist,En het korenveld ruischt ....Dat is Hij, die de oogst zal vermeeren.
12 van 20 teksten getoond
Af en toe nieuwe teksten
We voegen regelmatig gedichten en verzamelingen toe. Laat je e-mailadres achter, dan laten we het je weten.
Vrijblijvend. Eén korte mail per nieuwe verzameling, verder niets.